CBS vandaag

Voor wat er feitelijk gebeurt.

Deze pagina maakt eerst een lokale momentopname van de CBS-voorpagina en de artikelen van die dag. Daarna worden de artikeltekst en de grafieken in de bronvolgorde van cbs.nl opgebouwd, in een scrolly verhaalvorm. AI wordt alleen gebruikt voor de korte opening onder de artikeltitel. De bodytekst en de figuren zelf komen uit de opgeslagen CBS-artikelen en grafieken van die dag. Het doel is een leesbare, deelbare dagopname van Nederland in cijfers, zonder de inhoud van de artikelen zelf te herschrijven. Bestaande artikelen gebruiken opgeslagen dekteksten opnieuw; alleen nieuwe of vernieuwde artikelen krijgen nog een nieuwe AI-call.
Momentopname
CBS ARTIKEL 1

Aantal grenspendelaars dat in Nederland werkt verder toegenomen

AI-samenvatting

Het aantal werknemers dat in Nederland werkt maar in België of Duitsland woont, is in 2024 verder gestegen. Dit betreft een toename van 3,4 duizend grenspendelaars ten opzichte van het voorgaande jaar, met een opvallende groei onder Midden- en Oost-Europese nationaliteiten. Limburg blijft de regio met het hoogste percentage grenspendelaars, met Noord-Limburg als grootste ontvanger van Duitse pendelaars.

26 juni 2026 Lees op cbs.nl

In 2024 werkten in Nederland 91,9 duizend werknemers die over de grens in België of Duitsland woonden: 45,3 duizend uit België en 46,6 duizend uit Duitsland. Dat zijn er 3,4 duizend meer dan een jaar eerder. Het is het vierde jaar op rij dat het aantal zogenoemde grenspendelaars dat in Nederland werkt, toeneemt. Vooral het aantal grenspendelaars met een Midden- of Oost-Europese nationaliteit nam toe. Het Portaal Grensdata brengt cijfers in beeld over de grensregio’s van Nederland, België en Duitsland. In dit bericht gaat het vooral om de inkomende grenspendel van werknemers die in Nederland werken, maar in Duitsland of België wonen. Als percentage van alle werknemers was de inkomende grenspendel in 2024 het hoogst in Limburg; met 7,0 procent in Noord-Limburg, 6,2 procent in Zuid-Limburg en 5,1 procent in Midden-Limburg. Ook in Zeeuws-Vlaanderen was het percentage grenspendelaars met 4,5 procent relatief hoog.

Grenspendelaars vanuit België en Duitsland, 2024

Grenspendel naar Nederland neemt vier jaar op rij toe

In 2024 pendelden 45,3 duizend werknemers vanuit België naar Nederland en 46,6 duizend vanuit Duitsland. Dat aantal is voor het vierde achtereenvolgende jaar toegenomen. Vanuit België pendelden in 2020 38,5 duizend werknemers, vanuit Duitsland 40,2 duizend.

Het aantal grenspendelaars dat vanuit Nederland naar Duitsland (Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen) pendelt, is veel kleiner dan andersom en neemt af. In 2024 pendelden 6,5 duizend werknemers voor hun werk naar Duitsland, tegen 8,2 duizend in 2020. Cijfers over de grenspendel vanuit Nederland naar België zijn nog niet beschikbaar.

Grenspendelaars

34 procent grenspendelaars uit Duitsland heeft Midden- of Oost-Europese nationaliteit

In de afgelopen jaren nam vooral het aantal grenspendelaars met een Midden- of Oost-Europese nationaliteit toe. Vanuit Duitsland steeg dit het sterkst: van 9,4 duizend in 2020 naar 15,7 duizend in 2024. Van de grenspendelaars uit Duitsland was 34 procent EU-burger met een Midden- of Oost-Europese nationaliteit.

Het percentage grenspendelaars met de Nederlandse nationaliteit is groter vanuit België dan in Duitsland (54 procent tegen 36 procent).

Nationaliteit van grenspendelaars

Vanuit België relatief veel pendelaars naar Zuid-Limburg

Bijna 8 op de 10 pendelaars die in het Belgische grensgebied wonen, werken in Limburg en Noord-Brabant. Zuid-Limburg ontvangt de meeste grenspendelaars uit België (11,7 duizend). Ook in Zuidoost-Noord-Brabant — waar Eindhoven ligt — werken veel Belgische pendelaars (10,2 duizend). Buiten de grensgebieden werken bijna 4,0 duizend Belgische pendelaars in Groot-Rijnmond, Groot-Amsterdam en Utrecht.

Werkgebied en nationaliteit van grenspendelaars vanuit België, 2024

Vanuit Duitsland relatief veel pendelaars naar Noord-Limburg

Duitse grenspendelaars werken vooral in Limburg, Gelderland en Overijssel, en in mindere mate in Noord-Brabant. Van alle regio’s ontving Noord-Limburg, met als grootste stad Venlo, met 9,6 duizend de grootste groep pendelaars uit Duitsland. Van hen hadden 3,1 duizend de Duitse nationaliteit en waren 4,8 duizend EU-burger met een Midden- of Oost-Europese nationaliteit.

Werkgebied en nationaliteit van grenspendelaars vanuit Duitsland, 2024

CBS ARTIKEL 2

Al drie kwartalen meer flexwerknemers dan een jaar eerder

AI-samenvatting

Het aantal flexwerkers in Nederland blijft toenemen, met een stijging van 63 duizend ten opzichte van een jaar geleden. In totaal hebben 2,7 miljoen werknemers een flexibele arbeidsrelatie, terwijl het aantal zelfstandigen met 88 duizend is afgenomen. De groei in flexwerkers komt vooral door een toename van oproep- en invalkrachten, terwijl het aantal uitzendkrachten en tijdelijke werknemers met uitzicht op een vast dienstverband is gedaald.

23 juni 2026 Lees op cbs.nl

In het eerste kwartaal van 2026 waren er voor het derde kwartaal op rij meer werknemers met een flexibele arbeidsrelatie dan in hetzelfde kwartaal een jaar eerder. In het eerste kwartaal hadden 2,7 miljoen werknemers van 15 tot 75 jaar een flexibele arbeidsrelatie. Dat zijn er 63 duizend meer dan een jaar eerder. Ook hadden meer werknemers een vaste arbeidsrelatie (60 duizend), al is deze toename kleiner dan in eerdere kwartalen. Bijna 1,5 miljoen mensen werkten als zelfstandige, 88 duizend minder dan een jaar eerder. De afname was het sterkst onder zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers). Het aantal zelfstandigen daalde voor het vijfde kwartaal op een rij. In totaal hadden ruim 9,8 miljoen mensen betaald werk, 35 duizend meer dan een jaar eerder. In de afgelopen twee jaar is de stijging van het aantal werkenden afgevlakt en in mei daalde dit aantal.

Werkzame beroepsbevolking, 15 tot 75 jaar

Meer oproepkrachten, minder tijdelijke werknemers met uitzicht op vast

In het eerste kwartaal waren er meer werknemers met een flexibele arbeidsrelatie dan een jaar eerder. Dit komt vooral doordat er meer werknemers werken als oproep- of invalkracht werken, of in een tijdelijke arbeidsrelatie zonder uitzicht op een vast dienstverband. Daar staat tegenover dat het aantal uitzendkrachten en werknemers met een tijdelijke arbeidsrelatie met uitzicht op een vast dienstverband afnam.

Werknemers met flexibele arbeidsrelatie, 1e kwartaal

Een kwart van de oproep- of invalkrachten is 25 jaar of ouder

In het eerste kwartaal van 2026 werkten ruim een miljoen werknemers als oproep- of invalkracht. Ruim een kwart van hen is 25 jaar of ouder. Van hen zijn 130 duizend werknemers tussen de 25 en 45 jaar en 145 duizend tussen de 45 en 75 jaar.

De meeste oproep- of invalkrachten zijn jonger dan 25 jaar. Vergeleken met een jaar eerder nam het aantal oproep- of invalkrachten toe in alle leeftijdsgroepen, maar steeg het sterkst onder 25-plussers.

Mogelijk verdwijnen vanaf 2028 nulurencontracten voor de meeste oproepkrachten. Zij moeten dan een zogenoemd bandbreedtecontract krijgen. Daarin wordt er een minimum- en een maximumaantal uren afgesproken. Alleen jongeren, studenten en AOW-gerechtigden mogen dan nog op basis van nulurencontracten werken.

Oproep of invalkracht, 1e kwartaal

CBS ARTIKEL 3

1 758 zelfdodingen in 2025, gemiddeld bijna 5 per dag

AI-samenvatting

In 2025 registreerde Nederland 1 758 zelfdodingen, met een opvallende toename onder vijftigers en zestigers. Het zelfdodingscijfer onder mannen was meer dan twee keer zo hoog als dat van vrouwen, en zelfdoding was de belangrijkste doodsoorzaak onder jongeren. De cijfers tonen een verschuiving in de doodsoorzaken van jongeren, waarbij zelfdoding nu vaker voorkomt dan verkeersongevallen.

19 juni 2026 Lees op cbs.nl

In 2025 maakten 1 758 mensen een einde aan hun leven, gemiddeld bijna 5 per dag. Het zelfdodingscijfer was het afgelopen jaar 9,7 zelfdodingen per 100 duizend inwoners en in 2010 voor het laatst zo laag. Tussen 2010 en 2024 lag het tussen 9,9 en 11,2 per 100 duizend inwoners.

Zelfdodingen1)

Meeste zelfdodingen onder vijftigers en zestigers

Vergeleken met andere leeftijdsgroepen is het zelfdodingscijfer het hoogst onder vijftigers en zestigers. Het zelfdodingscijfer houdt rekening met de groei van de bevolking en dat mensen steeds ouder worden.

In de periode 2007 tot en met 2024 kwamen zelfdodingen in verhouding het meest voor onder vijftigers, in 2025 onder zestigers. In 2025 was 37 procent van alle mensen die een einde aan hun leven maakte een vijftiger of zestiger. Het ging om 14 zelfdodingen per 100 duizend inwoners van 50 tot 70 jaar oud.

Het aantal zelfdodingen onder 70- en 80-plussers lag de afgelopen 25 jaar op gemiddeld 13 per 100 duizend mensen. Onder dertigers en veertigers komt zelfdoding — vergeleken met jongeren — ook vaak voor (12 zelfdodingen per 100 duizend mensen). Onder tieners en twintigers komt zelfdoding van alle leeftijdsgroepen het minst voor.

Zelfdodingen

Ruim twee keer zoveel zelfdoding onder mannen

Met 13,4 op 100 duizend inwoners was het zelfdodingscijfer onder mannen ruim twee keer zo hoog als bij vrouwen (6,1 per 100 duizend). Bij 80-plussers is het verschil tussen mannen en vrouwen het grootst, met een bijna drie keer zo hoog zelfdodingscijfer bij mannen. Onder tieners is het verschil het kleinst: 1,3 keer zo hoog bij jongens.

Toename zelfdodingen jonge vrouwen

Onder tieners en twintigers is het aantal zelfdodingen vooral bij jonge vrouwen in de laatste 25 jaar toegenomen. Bij meisjes van 10 tot 20 jaar nam het toe van gemiddeld 1,2 per 100 duizend meisjes tussen 2000 en 2005 naar gemiddeld 2,5 per 100 duizend tussen 2020 en 2025. Daarmee is de relatieve stijging in die groep het grootst. In 2025 maakten 29 meisjes van 10 tot 20 jaar een einde aan hun leven. Bij jonge vrouwen van 20 tot 30 jaar nam het aantal zelfdodingen toe van gemiddeld 4,0 per 100 duizend inwoners tussen 2000 en 2005 tot gemiddeld 6,5 per 100 duizend inwoners tussen 2020 en 2025.

Zelfdodingen

Zelfdoding belangrijkste doodsoorzaak onder jongeren tot 30 jaar

Zelfdoding is onder tieners de belangrijkste doodsoorzaak. Van alle tieners die in 2025 overleden, overleed 22 procent door zelfdoding. Dat is vaker dan door verkeersongevallen. Ook bij twintigers was zelfdoding de belangrijkste doodsoorzaak: bij 28 procent van de sterfgevallen ging het om zelfdoding.

Onder jongeren is de verhouding tussen zelfdoding en verkeersdoden in de afgelopen tientallen jaren veranderd. Vijftig jaar geleden stierven jongeren onder de 30 jaar het vaakst door een verkeersongeval. Van de 10- tot 30-jarigen die in 1975 overleden was bij 33 procent een verkeersongeval de doodsoorzaak en zelfdoding bij 9 procent. In 2025 was een verkeersongeval de doodsoorzaak bij 15 procent van de overleden jongeren, terwijl 26 procent overleed door zelfdoding.

Zelfdodingen en verkeersdoden onder jongeren van 10 tot 30 jaar

CBS ARTIKEL 4

23 procent energieverbruik komt uit hernieuwbare bronnen

AI-samenvatting

Het aandeel hernieuwbare energie in het totale energieverbruik in Nederland is in 2025 gestegen naar 22,7 procent. Deze toename is voornamelijk te danken aan een hogere productie van zonnestroom en een groeiend gebruik van biokerosine. De totale energieconsumptie daalde echter naar 1767 petajoule, terwijl het verbruik van hernieuwbare energie met 11 procent toenam.

19 juni 2026 Lees op cbs.nl

Een jaar eerder was dit 20,2 procent. In totaal steeg het verbruik van hernieuwbare energie naar 401 petajoule (PJ), 11 procent meer dan een jaar eerder. Deze stijging komt vooral doordat het erg zonnig was en doordat het verbruik van biokerosine is toegenomen. Het totale energieverbruik daalde naar 1767 PJ.

Hernieuwbare energie in eindverbruik energie¹⁾

Meer biobrandstoffen

Ruim een derde (34 procent) van de hernieuwbare energie is afkomstig uit biomassa, in totaal 137 petajoule (PJ). Een petajoule komt overeen met de energie die nodig is om ongeveer 26 duizend woningen te verwarmen. In 2025 werd 13 procent meer energie uit biomassa verbruikt dan een jaar eerder. Dat komt vooral doordat er steeds meer biobrandstoffen gebruikt worden voor vervoer.

In 2025 is er 33 PJ biodiesel verbruikt, 11 procent meer dan een jaar eerder. Het verbruik van biokerosine steeg naar 14 PJ, bijna anderhalf keer zoveel als een jaar eerder. Het verbruik van biobenzine bleef met 11 PJ ongeveer gelijk.

Weinig nieuwe windmolens

Het verbruik van windenergie is in 2025 ten opzichte van een jaar eerder met 4 procent toegenomen naar 121 PJ. Deze stijging is minder groot dan in de afgelopen jaren. Er zijn in 2025 weinig nieuwe windmolens bijgeplaatst.

De productie van windenergie op land is met 1 procent toegenomen, op zee is de toename 7 procent. Dat komt doordat windmolens die in 2024 nieuw in gebruik genomen zijn, in 2025 voor het eerst een heel jaar gedraaid hebben.

23 procent van de hernieuwbare energie bestaat uit zonne-energie

Er is 93 PJ zonnestroom in 2025 opgewekt, 19 procent meer dan in 2024. Dat komt vooral doordat de zon veel scheen. Daarnaast zijn er weer meer zonnepanelen bijgekomen. Daardoor is het opgesteld vermogen, dat is de maximale opwekcapaciteit van alle zonnepanelen bij elkaar, met 5 procent toegenomen.

Steeds meer hernieuwbare energie uit warmtepompen

De bijdrage van warmtepompen blijft toenemen. 34 PJ aan warmte is met behulp van warmtepompen uit buitenlucht en de bodem gehaald. Dat is 9 procent van de totale hoeveelheid hernieuwbare energie.

Veel hernieuwbare energie bij gebouwen, weinig in de industrie

Het gebruik van hernieuwbare energie verschilt sterk tussen sectoren. Dat heeft onder andere te maken met het type energie dat per sector gebruikt wordt. Om het gebruik van hernieuwbare energie te stimuleren zijn er op Europees niveau streefdoelen per sector afgesproken.

In 2025 verbruikten gebouwen (woningen en de dienstensector) 597 PJ energie. Daarvan kwam 32 procent uit hernieuwbare bronnen. Het streefdoel voor 2030 is minimaal 49 procent. Het grootste deel van het hernieuwbare energieverbruik is hernieuwbare elektriciteit, waarvan ongeveer een vijfde uit eigen opwek, bijvoorbeeld door zonnestroom van zonnepanelen op daken.

De industrie is een energie-intensieve sector. In 2025 verbruikte deze sector 1036 PJ aan energie, waarvan 419 PJ ingezet als grondstof (bijvoorbeeld olie voor de productie van plastics). Van dit verbruik was 87 PJ hernieuwbaar (8 procent). Het streefdoel voor 2030 is minimaal 19,7 procent. Van de hernieuwbare energie is 0,2 PJ gebruikt als grondstof. Energie als grondstof is ingewikkelder te vervangen door hernieuwbare alternatieven zoals biomassa of hernieuwbare waterstof, omdat daarvoor in de meeste gevallen het productieproces moet worden aangepast.

Hernieuwbare energie per sector, 2025*

Aandeel hernieuwbare energie in Nederland het sterkst toegenomen sinds 2019

In vijf jaar tijd is het aandeel hernieuwbare energie in Nederland het sterkst gegroeid van alle EU-lidstaten, met 127 procent. In 2024 stond Nederland met 20,2 procent op de achttiende plek van de EU-27. In 2019 was dat nog plek vijfentwintig. Zweden heeft met 62,8 procent het hoogste aandeel hernieuwbare energie en België met 14,3 procent het laagste.

In 2030 moet het aandeel hernieuwbare energie in de EU minimaal 42,5 procent zijn. Om dit gezamenlijke doel te halen, is voor ieder land een eigen doel afgesproken. Voor Nederland is dat 39 procent.

Hernieuwbare energie per EU-lidstaat

CBS ARTIKEL 5

Helft statushouders gestart in 2022 binnen drie jaar ingeburgerd

AI-samenvatting

In 2022 zijn 17,2 duizend mensen met een asielstatus inburgeringsplichtig geworden onder de Wet Inburgering 2021. Van de statushouders die een Persoonlijk Plan Inburgering en Participatie (PIP) hebben gekregen, heeft 49 procent het inburgeringstraject binnen drie jaar succesvol afgerond. Daarnaast blijkt dat de keuze van de leerroute invloed heeft op de snelheid van inburgering en arbeidsdeelname.

19 juni 2026 Lees op cbs.nl

Voor 4,9 duizend van hen is in 2022 een Persoonlijk Plan Inburgering en Participatie (PIP) opgesteld. Daarvan ronden 2,4 duizend statushouders (49 procent) de inburgering succesvol binnen 3 jaar af. Dit zijn 17,2 duizend statushouders en 5,7 duizend gezins- en overige migranten. Om in te burgeren moeten zij de Nederlandse taal leren en stappen zetten om mee te doen in de maatschappij. Voor 4,9 duizend van deze 17,2 duizend mensen met een asielstatus (28 procent) is in datzelfde jaar een PIP opgesteld. Dit is een eis om met het inburgeringstraject te kunnen starten.

Gezins- en overige migranten zijn grotendeels zelf verantwoordelijk voor de inburgering. Van de 3,1 duizend gezins- en overige migranten voor wie in 2022 een PIP is opgesteld, rondden er 1,1 duizend (36 procent) het inburgeringstraject binnen drie jaar succesvol af. This will call Highcharts error #16, but sankey.js is not included on cbs.nl, and it needs to be included after highcharts.js.

Inburgering van migranten, gestart in 2022, naar PIP eind 2022

51 procent met B1-route binnen drie jaar klaar

Voor iedere migrant wordt een inburgeringstraject op maat gemaakt, met verschillende leerroutes. Mensen met een asielstatus volgen meestal de B1-route (62 procent), waarbij het leren van de Nederlandse taal zoveel mogelijk wordt gecombineerd met betaald werk. Bijna een op de drie volgt de Z-route, die zich richt op redzaamheid en meedoen in de samenleving De Onderwijsroute (6 procent) is bedoeld om deelnemers te laten instromen in het beroepsonderwijs, hoger onderwijs of wetenschappelijk onderwijs. Gezins- en overige migranten volgen vaker de B1-route (91 procent) en soms de Z-route (9 procent).

Statushouders die de Onderwijsroute volgen, zijn vaker binnen drie jaar klaar met inburgeren (60 procent) dan statushouders die de B1-route (51 procent) of Z-route (44 procent) volgen. Onder gezins- en overige migranten is dit bij de B1-leerroute 36 procent en bij de Z-route 31 procent.

Bijna helft deelnemers haalt taalniveau B1/B2

Inburgering van migranten, gestart in 2022, naar Leerroute

Hogere arbeidsdeelname bij volgers B1-leerroute

Inburgering van migranten, gestart in 2022, naar Voldaan binnen 3 jaar

Van de statushouders die in 2022 inburgeringsplichtig werden, heeft 43 procent op enig moment na huisvesting in de gemeente een baan in de periode tot eind 2025. Voor personen die de B1-route volgen, is dit 50 procent. Meer cijfers over arbeidsdeelname zijn te vinden op het vernieuwde dashboard Statistiek Wet Inburgering.

CBS ARTIKEL 6

Studenten zien dat data een steeds grotere rol spelen in de journalistiek

AI-samenvatting

De rol van data in de journalistiek wordt steeds belangrijker, zoals blijkt uit een bijeenkomst van studenten journalistiek met experts. Tijdens deze sessie werden verschillende dilemma's rondom data-onderzoek besproken, waarbij de nadruk lag op de noodzaak van objectieve en betrouwbare cijfers. De betrokkenheid van studenten bij deze thema's toont de groeiende erkenning van data-analyse in de media.

18 juni 2026 Lees op cbs.nl

Als een van de voornaamste databronnen voor de media is het CBS nauw verbonden met de journalistiek. Ook dit jaar was daarom het instituut weer betrokken bij De Tegel, de belangrijkste journalistieke prijs van Nederland. Op 6 mei vond in Den Haag voor de twintigste keer de uitreiking van De Tegel plaats. Die dag komt er in een zaal van Het Nationale Theater een groep studenten bijeen. Studenten journalistiek die zijn uitgenodigd om met een aantal experts enkele dilemma’s rondom data-onderzoek met elkaar te bespreken. Eén van die experts is Tanja Traag , hoofdsocioloog en woordvoerder bij het CBS. De andere drie sprekers zijn datajournalisten van NRC, De Volkskrant en 1Twente.

Cijfers uit verband

Tanja Traag mag de middag aftrappen en legt de studenten een dilemma voor dat nauw verbonden is met haar werk als woordvoerder. ‘Bij een talkshow werd onlangs aandacht besteed aan de demonstratie rondom het asielzoekerscentrum in Loosdrecht,’ vertelt Traag. ‘Er werden mensen op straat geïnterviewd die zich negatief uitlieten over de komst van zo’n centrum. Vervolgens haalde de presentator cijfers aan die zouden aantonen dat de meerderheid van de mensen negatief is over de opvang van asielzoekers in hun buurt.’ Maar volgens Traag waren deze cijfers uit hun verband gerukt en laten cijfers van het CBS een ander beeld zien. ‘Wat is in zo’n situatie onze taak?’ vraagt ze vervolgens aan de studenten.

Factchecker

De studenten krijgen bij ieder dilemma een aantal minuten om te overleggen. Daarna bespreken ze klassikaal hoe zij het probleem zouden aanvliegen. ‘Het zou goed zijn er als bij alle live-uitzendingen een factchecker aanwezig was. Die zou dit soort uitspraken tijdens het gesprek zelf kunnen controleren en verbeteren,’ oppert een student. Uit een ander groepje klinkt gemompel. ‘Dat is niet haalbaar. En in principe heb je daar toch ook backstage een redactie voor?’ Vervolgens krijgt Traag de vraag of en waarom het CBS hier niet publiekelijk op reageert. ‘Een van de belangrijkste taken van het CBS is onafhankelijk en objectief blijven,’ antwoordt de woordvoerder. ‘Bij zo’n politiek geladen onderwerp zou het kunnen lijken alsof we een kant kiezen terwijl we dat niet doen.’ Een aantal studenten knikt begrijpend.

Betrouwbare bronnen

De andere sprekers dragen dilemma’s aan uit het eigen vakgebied. Zo legt Volkskrantjournalist Pepijn de Lange enkele databronnen voor die hij gebruikte bij een stuk over de oorlog in Oekraïne. ‘Vinden jullie deze bronnen betrouwbaar,’ vraagt hij aan de studenten. Jordi Dam , teamleider datavisualisatie en infographics bij NRC, roept de vraag op of het visueel maken van data niet altijd een beetje misleidend is. ‘Je maakt altijd een keuze in wat je wel laat zien en wat je weglaat.’ Keuzes waar volgens Dam op de redactie soms best wat discussie aan voorafgaat. ‘Maar die overwegingen krijgt de lezer niet mee. Die ziet alleen het plaatje dat wij uiteindelijk in de krant zetten.’

De dilemma’s leveren geanimeerde discussies op. ‘Belangrijk’, vindt Jelle Broekroelofs , media-adviseur bij het CBS en jurylid van De Tegel . ‘Dataonderzoek speelt een steeds grotere rol binnen de journalistiek. Dat zie je ook terug bij de kanshebbers van vanavond.’ Journalisten hebben volgens Broekroelofs altijd behoefte aan objectieve, betrouwbare cijfers. ‘Het CBS maakt zulke data en we delen onze kennis en kunde graag met de media.’ Sinds vorig verzorgt het CBS dan ook datacursussen voor journalisten. ‘Als wij journalisten kunnen helpen om de juiste cijfers te vinden en deze goed te interpreteren is onze missie geslaagd!’

Het programma is afgelopen. In een andere zaal eten de studenten een snelle maaltijd voordat ze gezamenlijk naar de uitreiking gaan. Traag kijkt terug op een geslaagde middag. ‘Iedereen deed erg leuk mee en er kwamen goede gesprekken op gang,’ aldus de woordvoerder. ‘Heel leuk om te zien dat studenten zich betrokken voelen bij deze thema’s.’

CBS ARTIKEL 7

Industrie verwacht minder te investeren in 2026

AI-samenvatting

De industriële sector verwacht in 2026 een daling van 3 procent in investeringen in materiële activa. Bijna 20 procent van de investeringen is gericht op verduurzaming en energiebesparing, terwijl de metaalindustrie de grootste afname voorziet met 19 procent. Tegelijkertijd zijn er sectoren, zoals de meubelindustrie, die juist een toename van 33 procent in investeringen verwachten.

18 juni 2026 Lees op cbs.nl

Industriële producenten verwachten in 2026 3 procent minder te investeren in gebouwen, machines, vervoermiddelen of computers dan in 2025. De metaalindustrie verwacht de sterkste afname (-19 procent). De meubelindustrie verwacht wat meer te investeren dan vorig jaar. Naar verwachting gaat bijna een vijfde van de investeringen naar verduurzaming en energiebesparing. Bedrijven in vijf bedrijfstakken hebben tussen half januari en half mei 2026 vragen beantwoord over investeringen in materiële activa, zoals gebouwen, machines, vervoermiddelen of computers. In het najaar van 2025 verwachtten industriële ondernemers nog ruim 5 procent meer te investeren in 2026. Dit hangt mogelijk samen met een voorzichtiger investeringsklimaat en met investeringen die eerder waren gepland maar inmiddels zijn uitgesteld of heroverwogen.

Basismetaalindustrie verwacht fors minder te investeren

De basismetaal- en metaalproductenindustrie verwacht in 2026 19 procent minder te investeren dan in 2025. Dit komt mede doordat in 2025 grote investeringen werden gedaan. Binnen die branche zijn het vooral bedrijven in de vervaardiging van basismetalen die een sterke afname voorzien. Producenten in de elektrotechnische en machine-industrie verwachten 10 procent minder te investeren.

Er zijn ook bedrijfstakken die juist een toename verwachten. Zo gaan producenten uit de overige industrie (vooral meubelindustrie) ervan uit 33 procent meer te investeren in 2026. Ook ondernemers uit de raffinaderijen en chemische industrie verwachten hogere investeringen.

Verwachte investeringen industrie, 2026*

Vijfde van verwachte investeringen gerelateerd aan verduurzaming en energiebesparing

Van het totale bedrag aan verwachte investeringen in 2026 wijzen industriële producenten 6 procent toe aan circulair produceren, waaronder het hergebruik van grondstoffen en afvalstoffen, en 7 procent aan energiebesparing. Hierbij kan gedacht worden aan isolatie, een warmtepomp of zonnepanelen. Industriële producenten geven aan dat zo’n 6 procent van de verwachte investeringen te maken heeft met vermindering van uitstoot. Voor de voedingsindustrie is dit 10 procent.

Voor de hele industrie hangt 4 procent samen met digitale investeringen. Binnen de industrie verwacht de overige industrie (waaronder de meubelindustrie) in verhouding de meeste investeringen in digitalisering.

Verwachte investeringen industrie per type, 2026*

Chemie blijft grootste investeerder, machine-industrie groeit het hardst

Ondernemers in de raffinaderijen en chemische industrie investeerden in 2024 voor 3,6 miljard euro in gebouwen, machines en andere vaste activa. Dat is 1 procent meer dan een jaar eerder, waarmee deze branche opnieuw de grootste industriële investeerder was. In de elektrotechnische en machine-industrie groeiden de investeringen met 52 procent het sterkst. Ook de transportmiddelenindustrie investeerde fors meer dan in 2023 (26 procent). Daarentegen namen de investeringen in de papier- en grafische industrie (-33 procent) en de metaalindustrie (-16 procent) duidelijk af. Per saldo stegen de investeringen in de totale industrie met 7 procent.

Investeringsverwachtingen verschillen vaak enigszins van gerealiseerde investeringen. Dat komt onder meer doordat projecten vertraging oplopen of worden uitgesteld, bijvoorbeeld door leveringsproblemen, vergunningstrajecten of veranderende economische omstandigheden.

Gerealiseerde investeringen industrie

CBS ARTIKEL 8

Werkloosheid in mei 3,9 procent

AI-samenvatting

De werkloosheid in Nederland bedraagt in mei 3,9 procent. Het aantal WW-uitkeringen is met 1,8 procent gedaald ten opzichte van eind april, met een afname in bijna alle sectoren. De uitstroom van werklozen naar werk en het verlaten van de arbeidsmarkt heeft bijgedragen aan een daling van het aantal werklozen in de afgelopen drie maanden.

18 juni 2026 Lees op cbs.nl

Werkloosheid en WW-uitkeringen

Naast de 399 duizend werklozen zijn er 3,2 miljoen mensen die niet kortgeleden naar werk hebben gezocht en/of daarvoor niet direct beschikbaar waren. Daarom worden zij niet tot de beroepsbevolking gerekend. Dit zijn vooral mensen die met pensioen zijn of niet kunnen werken omdat ze ziek of arbeidsongeschikt zijn. Het aantal mensen buiten de beroepsbevolking, de niet-beroepsbevolking, nam de afgelopen drie maanden toe met gemiddeld 11 duizend per maand.

UWV: in mei daalde het aantal WW-uitkeringen

Eind mei telde UWV 199,4 duizend WW-uitkeringen. Daarmee is het aantal uitkeringen lager dan eind april (-1,8 procent). Er kwamen in mei 19,0 duizend nieuwe uitkeringen bij en er werden 22,8 duizend uitkeringen beëindigd. In bijna alle sectoren nam het aantal WW-uitkeringen af. De daling was het grootst in de landbouw, groenvoorziening en visserij (-6,5 procent), bouw (-6,0 procent) en bij de uitzendbedrijven (-5,6 procent). In deze sectoren daalt het aantal uitkeringen meestal vanaf het voorjaar omdat er meer seizoenswerk is.

Uitstroom werkloosheid hoger dan instroom

De werkloosheid kan toe- of afnemen door vier verschillende stromen. Door twee van deze stromen daalt de werkloosheid. De eerste is de stroom van werklozen die een baan vinden (152 duizend). De tweede is de stroom van werklozen die stoppen met zoeken en de arbeidsmarkt, en dus de beroepsbevolking, verlaten (102 duizend). In totaal waren er in mei 254 duizend mensen niet meer werkloos die drie maanden eerder nog wel werkloos waren.

Er zijn ook twee stromen waardoor de werkloosheid stijgt. Dit zijn werkenden die hun baan verliezen ( 125 duizend ) en mensen die zich eerder niet aanboden op de arbeidsmarkt, maar nu op zoek zijn naar werk ( 111 duizend ). Als zij niet meteen werk vinden, worden ze onderdeel van de werkloze beroepsbevolking. Hierdoor waren er in mei 236 duizend personen werkloos die dat drie maanden eerder nog niet waren. Doordat de uitstroom groter was dan de instroom daalde het aantal werklozen in de afgelopen drie maanden met gemiddeld 6 duizend per maand.

Meer mensen stoppen met werken en verlaten de arbeidsmarkt

Het aantal mensen met werk daalde in mei vooral doordat er meer mensen stoppen met werken en de arbeidsmarkt (tijdelijk) verlaten en er tegelijkertijd minder mensen vanuit de niet-beroepsbevolking de arbeidsmarkt betreden en direct een baan vinden. In de afgelopen twee jaar is de stijging van het aantal werkenden afgevlakt. Het aantal zelfstandigen daalde in die periode terwijl het aantal werknemers wel nog toenam.

Het CBS publiceert iedere maand over de beroepsbevolking volgens de richtlijnen van de International Labour Organization (ILO). De bijbehorende indicatoren, de werkzame en werkloze beroepsbevolking, worden wereldwijd gebruikt om de conjuncturele ontwikkelingen op de arbeidsmarkt te beschrijven. Daarbij zijn maandcijfers essentieel. Daarnaast publiceert UWV maandelijks over het aantal WW-uitkeringen. Deze UWV-cijfers over uitkeringen zijn niet een-op-een vergelijkbaar met de indicatoren over de beroepsbevolking. Voor meer uitleg over de verschillen tussen de bronnen, zie de technische toelichting .

Door een brand in een datacenter kreeg het CBS een technische storing waardoor mensen tijdelijk geen vragenlijsten konden invullen. Door de lagere respons is de onzekerheid in de resultaten over april en mei groter dan gebruikelijk. De cijfers over april en mei in dit bericht zijn daarom voorlopig en kunnen worden bijgesteld.